 |
 |  |  |  | Randtorisch
Een randtorische contactlens is een lens met een torische periferie, de perifere radii zijn in de twee hoofdrichtingen verschillend. De optische zone is sferisch, maar heeft door de aanwezigheid van twee verschillende perifere radii een ovale vorm.
De edge clearance, de afstand van de rand van de contactlens tot de doorgetrokken basis curve radius, blijft constant, maar de drukverdeling zal door de verschillende diameters van de optische zone veel gunstiger zijn dan bij een sferische lens het geval is. Hetgeen gelijk de toepassing van deze lenzen aangeeft bij het gebruik van de randtorische contactlenzen op een torische cornea.
Het is duidelijk, dat op de plaats van de korte as van de (ovale) optische zone de perifere radius de langste zal zijn. De lens moet zich dus met de lange as van de ovale zone op de diepste meridiaan van het oog centreren. Daarbij zal de kleinere optische zone diameter minder druk op de vlakste meridiaan van het oog uitoefenen omdat de transition, de afscheiding tussen de optische zone en de periferie, op een minder vlak deel van deze vlakste meridiaan aanligt.
Deze centrering zal na enige knipperslagen al zijn bereikt omdat, als de langste as van de ovaal op de vlakste meridiaan van de cornea zou liggen bij het inzetten, de lens centraal verder van de cornea afstaat en bij de geringste beweging van deze plaats zal afglijden om geleidelijk de juiste positie in te gaan nemen.
De diameter van de optische zone welke bij de toepassing van een sferische contactlens zou gelden, wordt het uitgangspunt voor de langste as van de ovaal. Afhankelijk van het astigmatisme van de cornea wordt de korte as van de ovaal bepaald en ligt de constructie van de randtorische contactlens vast.
De randtorische constructie van contactlenzen kan worden toegepast, wanneer de druk op de vlakste meridiaan van een astigmatische cornea te groot wordt bij een contact lens met een sferische periferie. Afhankelijk van de totale lensdiameter en de diameter van de optische zone, alsmede van de keratometer waarde van het betreffende oog en de druk van de oogleden mede onder invloed van de dikte en de sterkte van de lens, moet vastgesteld worden of deze druk in een bepaald geval groter is dan wenselijk wordt geacht.
Het is gezien het grote aantal factoren welke deze druk kunnen veroorzaken dus zeer moeilijk van te voren vast te stellen of in een bepaald geval deze druk te groot zal zijn. Omdat een sferische contactlens als regel minder invloed heeft op de cornea tijdens oogbewegingen en knipperslagen is het niet zinvol in alle gevallen een randtorische contactlens toe te passen. Wanneer er dus een verdenking is dat een te grote grote druk zou voorkomen, moet tijdens de eerste passing, of eventueel een verlengde eerste passing, een zichtbare kleuring op de vlakste meridiaan van de cornea worden vastgesteld. Dit is met een paslens pas na een paar uur betrouwbaar te zien.
Als regel zal de behoefte aan randtorische contactlenzen het grootst zijn bij een relatief groot cornea astigmatisme zodat het gebied tussen 1.5 en 5.5 dpt. cornea astigmatisme het meest in aanmerking komt. Het is wellicht zinvol om de werkelijke hoogte verschillen die op de cornea voorkomen bij voorbeeld een astigmatisme van 3.5 dpt. in een gebied van 7.0 mm. centraal eens te berekenen.
Laten wij als voorbeeld van de keratometerwaarden 8.10 en 7.50 mm de sagitta waarden berekenen in een gebied van 7.0 mm.
Sagitta waarde van 8.10 mm radius en 7.0 mm optische zone is 0.795. Sagitta waarde van 7.70 mm radius en 7.0 mm optische zone is 0.876.
Het verschil tussen deze twee waarden is 0.072 mm, met andere woorden; het hoogteverschil op deze cornea met een astigmatisme van 3.50 dpt. is 7 honderdste van een millimeter. Dit is de waarde welke de vlakste meridiaan hoger ligt dan de diepe meridiaan. Ten opzichte van de bewegende contactlens is dit zeker geen grote waarde, zodat ook de toepassing van een sferische contactlens uitstekend mogelijk is in de meeste gevallen.
Het is wenselijk om de verkleining van de optische zone in de vlakste richting afhankelijk te maken van het cornea astigmatisme.
Hierbij kunnen wij gebruik maken van de regel: Elke dioptrie randastigmatisme maakt de optische zone ongeveer 0.1 mm kleiner in één richting.
Wanneer wij bij het toepassen van de randtorische contactlens het perifere astigmatisme gelijk maken aan het cornea astigmatisme komen wij in het algemeen tot de optimale waarde van de ovaliteit van deze optische zone. Alleen bij sterk afwijkende diameters of radii kunnen deze waarden belangrijk van de genoemde regel verschillen en is het verstandig om met een proefpassing tot de juiste waarden te komen.
In principe blijft de aanpassing gelijk van een randtorische contactlens ten opzichte van een sferische lens voor hetzelfde oog, zodat met een normale sferische aanpasset de beoordeling is te maken.
Korte samenvatting Bij een cornea astigmatisme van 1.50 dpt. en hoger, kan de toepassing van een randtorische contactlens gunstig zijn, wanneer de kans op een te grote druk op de vlakste meridiaan aanwezig is. Neem als beginpunt het perifeer astigmatisme gelijk aan het cornea astigmatisme en laat de andere specificaties van de lens gelijk aan de passing van een sferische contactlens.
|
|
| |
|